Interview Aline Sax
2 mei 2026
Bij de uitreiking van de Lavki-prijs mocht ik Aline spreken over haar YA versroman 'Wat ons nog rest'.
‘Wat ons nog rest’ is een behoorlijk heftig verhaal over de Berlijnse vrouwen aan het einde van WO II. Waarom wou je juist dit verhaal vertellen?
Wat ik zo interessant hieraan vind is dat er zo weinig hoop en perspectief was aan het einde van de oorlog voor de Berlijnse bevolking omdat ze 12 jaar lang door propaganda gebrainwasht werden. Ik vond dat zo intrigerend omdat ik het me nauwelijks kon voorstellen hoe dat zou zijn om zonder enig perspectief te zitten. Ik wou het hebben over de vrouwen omdat die altijd vergeten worden in oorlogsverhalen, ook is er lang gezwegen over alles wat er met hen was gebeurd. Er mocht niet gepraat worden over hoe de Duitse burgerbevolking eraan toe was omdat ze de oorlog verloren hadden. Het is nooit zo zwart-wit als we zouden willen dus dat is waarom ik dit onderwerp koos.
Veel van je verhalen zijn historisch, waar komt die liefde voor geschiedenis vandaan?
Geschiedenis boeit me omdat er zoveel variaties zijn op hoe mensen leven en hoe we met elkaar omgaan. Dat is een onuitputtelijke bron aan inspiratie. Ik kan ook steeds een nieuwe wereld ontdekken zonder die zelf te moeten verzinnen.
Hoe vind je daarbij de balans tussen historische feiten en verhaal?
Voor mij is het belangrijk dat mijn personages denken zoals ze in die tijd dachten. Ik doe veel onderzoek om te weten hoe alles in die tijd ging maar al dat onderzoek prop ik niet in het boek want een goede historische roman is in de eerste plaats een goede roman, ik ben geen non-fictie aan het schrijven dus maar een klein deel van die kennis sijpelt door in het boek. Er moet juist genoeg in zitten om een goed tijdsbeeld te scheppen en ik ben ook trouw aan die tijd. Ik gebruik het niet louter als decor.
’Wat ons nog rest’ heeft als versroman een heel ongebruikelijke vorm. Hoe begin je aan een nieuw boek? Komt voor jou de vorm of het verhaal eerst?
Ik begin altijd met een personage of gebeurtenis die mijn aandacht heeft getrokken, daarna begin ik te vormen hoe het verhaal gaat lopen en doe ik de nodige research. De vorm en het verhaal hangen samen natuurlijk. Vooral bij ‘Wat ons nog rest’ is de vorm zeer uniek, ik wou al zeer lang het verhaal schrijven maar wist niet hoe omdat het zo zwaar en donker is. Ik vond het zeer lastig om dit te schrijven tot ik met steeds minder en minder woorden begon te werken en zo kwam ik bij die versvorm. Bij andere boeken is de vorm minder speciaal en daar verzin ik eerst de loop van het verhaal in mijn hoofd en typ het dan uit in een vorm die werkt.
Gelukkig dat je een vorm gevonden om ‘Wat ons nog rest’ te vertellen, het is een prachtig boek geworden. Het is ook zeer goed ontvangen: je won er in 2025 de Boon mee, en nu ook de Lavki-prijs. Wat betekenen die prijzen voor jou?
Het is ontzettend fijn. Ik ben een zeer onzekere schrijver. Het verhaal zit op de beste manier in mijn hoofd, maar dat moet er natuurlijk ook uit. En daar zit het grote risico. Je legt zoveel liefde in een verhaal dus de reacties zijn zeer belangrijk voor mij. Het voelt dus geweldig om zo’n schone prijzen te winnen.
Als kleine afsluiter: heb je een favoriet boek uit je eigen oeuvre? En wat is je favoriete kinder- of jongerenboek?
Van mezelf is het vaak het recentste, op dit moment ‘Wat ons nog rest’ en ‘Negentien negentien’. Van andere schrijvers zijn mijn favorieten ‘Vissen smelten niet’ (Jef Aerts), ‘Films die nergens draaien’ (Yorick Goldewijck) en ‘De wonderbaarlijke reis van Edward Tulane’ (Kate DiCamillo).
Hartelijk dank, Aline, om tijd te maken voor dit gesprek.
Interview Hanne Eerdekens
16 mei 2026
'Polaris' van Hanne Eerdekens won de derde prijs in de Leesjury groep 6 (14-16 jaar). Ik sprak haar tijdens het slotfeest van Leesjury voor de jongeren.
Je bent een jonge schrijver. Helpt dat je om dicht bij de belevingswereld van de jongeren waarvoor je schrijft te komen?
Ik denk het wel. Ik lees ook zelf nog graag jongerenboeken omdat ik mezelf nog herken in die personages en veel mensen in mijn omgeving hebben ook nog die leeftijd.
Je zoekt de leefwereld van jongeren op, maar hebt voor je eerste boek ‘Met jou is het anders’ wel gekozen om dat in het Verenigd Koninkrijk te laten afspelen. Vanwaar die keuze?
Dat was een praktische beslissing omdat het gaat om de talkshows waarop Nolan gevraagd wordt en Vlaamse shows hebben gewoon dat budget niet. Ik heb het wel zo Vlaams mogelijk gemaakt omdat ik het wel belangrijk vind dat het herkenbaar is.
In ‘Polaris’ kies je wel voor een Vlaams landschap, je hoofdpersonage gaat naar de KU Leuven. Is dat voor jou een herkenbare context?
Ik heb inderdaad zelf aan de KU Leuven gestudeerd, dus dat was ook makkelijker om te beschrijven. Maar ik vond het ook belangrijk om dit boek wel in Vlaanderen te laten afspelen, net om de herkenbaarheid voor de lezer te vergroten.
Zitten er nog meer autobiografische elementen in het boek?
Ja, dit is mijn meest autobiografische boek. Ik heb zelf geen vriendin verloren, noch iemand anders in mijn nabije omgeving, de rouw-thematiek komt niet uit persoonlijke ervaring. Ik heb wel geworsteld met mijn seksuele geaardheid, de identiteitsstruggle van Noël in het boek komt overeen met hoe ik het heb ervaren.
In je boeken komt queer zijn in verschillende vormen telkens terug als thematiek. Waarom vind je het belangrijk om daarover te schrijven?
Toen ik zelf in het middelbaar zat had het lezen van boeken met deze thematiek me heel erg kunnen helpen, maar die waren er nauwelijks. Ik wil die keuze wel geven aan de jongeren van nu.
Noël, het hoofdpersonage in ‘Polaris’, schrijft ook een heel mooi gedicht. Overweeg je wel eens een dichtbundel te schrijven?
Neen, ik vrees dat dat voorlopig niet in mijn repertoire zit. Het gedicht in ‘Polaris’ is geschreven door Doreen Hendrikx, dichter en goede vriendin van mij. Ik dicht enkel voor de fun, maar niet goed genoeg voor een publicatie vrees ik.
Je twee eerste boeken, ‘Met jou is het anders’ en ‘Polaris’, zijn allebei geselecteerd voor de Leesjury en meteen ook in de prijzen gevallen. Wat betekent dat voor jou?
Dat is supertof. Ik ben nog nieuw in het literatuurlandschap dus het is fijn te weten dat jongeren de boeken graag lezen, ook al zijn ze niet specifiek op zoek naar queer literatuur.
Je hebt ondertussen ook al een derde boek uit: ‘Hoofd boven water’. Heb je het gevoel alsof je al geëvolueerd bent als schrijver?
Ik schrijf al jaren, maar pas bij ‘Met jou is het anders’ vond ik het goed genoeg om ermee naar een uitgever te stappen. Als ik terugkijk naar dat boek, zou ik daar nu toch al veel dingen aan veranderen. Ik merk wel dat ik gegroeid ben daarin.
Je bent alweer bezig aan een vierde boek. Kan je daar al iets over kwijt?
Dat wordt een heel ander boek: wel ook YA, maar girlpower fantasy met mythologie in verweven. Het is spannend of dat ook weer in de smaak gaat vallen. Fantasy is wel een populair genre op het moment maar je weet het nooit natuurlijk. Mijn lezers zijn gewend aan coming-of-age boeken dus ik weet niet hoe ze dit gaan ontvangen omdat dit zo anders is.
Ik kijk er al naar uit om het te lezen! Om af te sluiten nog een dubbele vraag. Heb je een favoriet tussen je eigen boeken? En welk boek van een andere Vlaamse schrijver zou je aanraden?
Van mezelf vind ik het lastig kiezen omdat ze allemaal op een andere manier mijn favoriet zijn, maar als ik er één moest kiezen zou het denk ik ‘Polaris’ zijn. Van een andere schrijver zou ik zeggen ‘Wat ons nog rest’ van Aline Sax.
Die keuze snappen we helemaal! Dankjewel, Hanne, voor dit gesprek.
Interview Goedele Ghijsen
20 augustus 2026
Ik bracht een bezoek aan Goedele Ghijsen en sprak haar over haar drie jongerenromans 'Vluchtweg', 'Onderstroom' en 'Keerpunt'
Na enkele groeiboeken, kwam 5 jaar geleden je
eerste jongerenboek Vluchtweg uit waarmee je meteen een White Raven wegkaapte.
Sindsdien volgen nog twee jongerenromans, Onderstroom en Keerpunt,
voor een vergelijkbare doelgroep (12/13+) die wat mij betreft Vluchtweg nog overtreffen.
Je hebt duidelijk je stem en doelgroep gevonden.
De leeftijd waarvoor jij schrijft heeft naar mijn gevoel veel minder boeken om uit te kiezen dan de leeftijdscategorieën eronder en erboven. Wat trekt jou zo aan aan deze doelgroep?
Er wordt weleens gezegd dat auteurs een
bepaalde innerlijke leeftijd hebben en ik denk dat dit de leeftijd is die me
het meest heeft beïnvloed. Ik gaf ook lang les aan het derde en vierde
middelbaar, de leeftijd van veel van mijn hoofdpersonages. Hoewel mijn boeken heel
geschikt zijn voor de eerste graad, kunnen ze jongeren van de tweede graad
die niet graag lezen ook net aan het lezen krijgen.
Heb je enig idee waarom veel collega's deze
doelgroep eerder mijden?
Ik denk dat het misschien met de angst voor de
puber te maken heeft. Boeken voor een jonger publiek of echte YA doen het
commercieel vaak ook beter, dat kan ook meespelen in de keuze. Of misschien is
hun innerlijke leeftijd anders. Ik heb geen idee wat voor anderen speelt. Ik vind
het in elk geval een geweldige doelgroep.
Je schrijft realistische boeken over
tieners die met zichzelf in de knoop zitten. Soms gaat het om grote problemen,
maar evengoed zijn kleine onzekerheden genoeg om zeer groot te voelen. Dat
voelt heel herkenbaar als jongere, waardoor het makkelijk is om mee te leven
met de personages. Hoe zet je zo een echt personage neer?
Ik broed zeer lang op wie een personage is.
Dat is voor mij de kern van mijn boek. Pas als ik mijn personages goed ken en
begrijp, kan ik echt gaan schrijven. Ik gebruik hiervoor veel technieken zoals
the big five. Vaak denk ik ook dat het iemand is zoals x of y. Jongeren uit
mijn omgeving die ik niet heel goed ken, maar goed genoeg om een beeld te
hebben hoe ze zouden reageren in situaties. Regelmatig zijn personages ook een
combinatie van mensen, altijd jongeren weliswaar. Dat helpt ook bij het
schrijven van dialogen, dan vraag ik me af wat x of y zou zeggen.
Je schrijft elk boek in het ik-perspectief,
wat minder gebruikelijk is. Waarom kies je daarvoor?
Is dat echt zo in elk van mijn boeken? Ja,
inderdaad, daar had ik niet bij stilgestaan. Wat stel je goeie vragen! Ik vind
het erg belangrijk om de vertelstem van mijn personage te vinden, waardoor dat
ik-perspectief een automatisch gevolg is.
In Vluchtweg schrijf je uit het
perspectief van verschillende leerlingen, in Onderstroom kijk je vanuit
hetzelfde meisje in twee verschillende tijdsperiodes en in Keerpunt
wissel je de vertelling af met een logboek. Hoe kies je de vorm waarin je je
verhaal gaat vertellen?
Bij Vluchtweg vond ik het zeer
belangrijk om het pesten vanuit de drie verschillende hoeken te vertellen: niet
enkel vanuit het slachtoffer, maar ook vanuit de pester zelf, en vanuit de
bijstaander. Bij Onderstroom was mijn vertrekpunt om te schrijven over
een meisje dat terugkeert naar het dorp waar ooit een dramatische gebeurtenis
haar heeft laten vertrekken. Door dat opzet kom je automatisch bij een verhaal
op twee tijdstippen omdat je het verleden moet blootleggen om het heden te
begrijpen. Bij Keerpunt kwam het vanuit mijn personage. Max leek me iemand
die lijstjes maakt en aangezien een groot deel van het boek zich op een boot
afspeelt vond ik een logboek dan wel passend. De vorm moet passen bij het
verhaal en de personages. Die keuze komt dus sowieso laatst, als een gevolg van
wat ik wil vertellen. Ik denk nooit: ik wil deze keer eens iets met lijstjes
doen.
Wat ik zeer knap vind is dat, zeker bij Onderstroom
en Keerpunt, je boeken enerzijds toegankelijk zijn geschreven, maar toch
ook nog heel boeiend voor meer ervaren lezers. Het lijkt alsof je de perfecte
formule hebt gevonden om elke jongere te laten lezen. Wat is je geheim?
Ik heb als lezer zelf altijd een hekel aan
boeken waarin je het gevoel krijgt dat de auteur veel intelligenter is en je veel
moeite moet doen om te begrijpen waar het over gaat. Ik lees graag boeken die
goed geschreven zijn maar toch ook toegankelijk blijven. Als leerkracht vond ik
het ook zo stom dat veel van de zeer goede boeken enkel geschikt waren voor de ervaren
lezers in de klas. Ik wou ook de minder ervaren lezers goed geschreven boeken
kunnen aanbieden. En dat probeer ik te schrijven: boeken die niet enkel voor de
sterke lezers te volgen zijn, maar toch ook wel genoeg te bieden hebben.
Je geeft ondertussen geen les meer in het
secundair, maar geeft schrijfopleidingen in het DKO, voor volwassen en en ook voor jongeren.
Wat is je belangrijkste advies voor jongeren die zelf ook willen schrijven?
Suddertijd. Geef je idee tijd om wat te rijpen
alvorens het neer te pennen, maar ook als je vastzit tijdens het schrijven: leg
het verhaal enkele weken of zelfs maanden aan de kant. Wanneer je het dan weer
terug opneemt kan je er met een frisse blik naar kijken en weet je meestal
automatisch hoe je verder kan. Schrijven mag je niet overhaasten.
Naar welke Vlaamse jeugdschrijvers
kijk je op of bij wie haal je inspiratie?
Dat zijn er een aantal. Els Beerten staat heel
hoog voor mij, Marleen Nelen, Jef Aerts, Bart Moeyaert, Kristien Dieltiens,
Jean-Claude Van Rijckeghem, Aline Sax,... en ik vergeet er vast
nog een paar. Ik heb ook altijd genoten van Kathleen Vereecken, Evelien De
Vlieger ook, Herman van de Wijdeven. En Anne Provoost natuurlijk: haar Vallen
blijft fenomenaal. We hebben toch echt wel toppers binnen de Vlaamse
jeugdliteratuur. Daarbij hebben we heel veel te danken aan Bart Moeyaert. Naar
mijn gevoel was hij de eerste hier in Vlaanderen die anders ging kijken naar
kinderen en echt durfde meer literair te schrijven voor die doelgroep. Hij
heeft daarmee de Vlaamse jeugdliteratuur naar een hoger niveau getild. Zijn
Blote handen is voor mij een soort keerpunt, en blijft een
verschrikkelijk goed boek.
Welke van je eigen boeken is je favoriet?
Dit is zo een lastige vraag. Op dit moment ben
ik geneigd Onderstroom te zeggen omdat het minder kansen heeft gekregen –
het is bijvoorbeeld niet geselecteerd voor de Leesjury, mijn andere twee boeken
wel – en dat vind ik zo jammer omdat ik het een zeer goed verhaal vind. Ik ben
natuurlijk ook zeer trots op Keerpunt en Vluchtweg, maar Onderstroom
verdiende meer aandacht.
Het doet je dan vast plezier dat ik Onderstroom
je allersterkste boek vond.
Welke jeugdboeken van collega’s zou je willen aanraden?
Zowat alles wat de auteurs die ik daarnet heb
genoemd hebben geschreven, maar zeker Allemaal willen we de hemel van
Els Beerten en Alles wat licht is van Marleen Nelen.
Dankjewel, Goedele, voor dit fijne gesprek. Ik kijk al uit naar je volgende boek!
Interview Marleen Nelen
29 augustus 2026
Ik sprak met Marleen Nelen na het lezen van drie van haar prachtige jongerenromans: 'Alles wat licht is', 'De vogels' en 'Over zee'
Ik lees
erg graag historische jongerenromans, maar had tot voor kort nog niet van jou
gehoord. Ik ben heel blij je boeken te hebben ontdekt, want het zijn pareltjes.
Hopelijk gaan met dit interview nog meer jongeren die prachtboeken lezen. Ik
las alvast Alles wat licht is, De vogels en Over zee.
Ik zag op
wikipedia dat er aan het begin van je schrijverscarrière (2007-2010) vijf
boeken kort na elkaar verschenen. Later zat er telkens
4-5 jaar tussen de boeken. Hoe komt dat?
Wat fijn dat
je van mijn boeken hebt genoten! Terwijl ik een uitgever zocht voor Duivelstocht was ik alvast aan een
tweede boek begonnen. Maanlief en Nimf spelen zich in het nu af. Voor mijn
historische boeken doe ik veel opzoekingswerk. Soms loop ik daarbij vast; soms
vraagt een onderwerp meer inspanning. Zo had ik de fysica van het vliegen in Over zee snel onder de knie. De elektriciteit
die in Hertz aan bod kwam, lag voor
mij minder voor de hand. Over de Rom in De
vogels was eerst niet veel te vinden, en ik wilde geen fouten maken. Ik wil
mijn onderwerpen goed in de vingers te hebben, en dat kost tijd. Ik merk dat ik
de lat voor mezelf ook steeds hoger leg.
In het
begin schreef je zowel historische als hedendaagse realistische boeken, later
kregen de historische de overhand. Waar komt die voorliefde vandaan?
Geschiedenis is een rijke bron van verhalen. Ze ligt
achter ons, dus hebben we overzicht en kunnen we verbanden zien. En ze werkt als
een spiegel, waarin je je eigen tijd scherper kan zien. Onze manier van leven is
erg veranderd, maar ik denk dat onze emoties hetzelfde zijn gebleven. We worden
verliefd, af en toe zijn we gelukkig, we bouwen vriendschappen op en verliezen ze
weer. Ik stel me graag voor hoe politieke omwentelingen en wetenschappelijke
doorbraken de levens van gewone mensen stuurden. Ik vind het spannend om dingen
uit te zoeken en zelf ook iets bij te leren. Dat geeft een extra dimensie aan
het schrijven.
Als
liefhebber van historische jongerenromans, merk ik dat er heel wat Vlaamse
auteurs uitblinken in dit genre. Heb je het gevoel dat deze sterke traditie je
heeft geholpen bij het schrijven van je eigen boek? Welke auteurs hebben je
geïnspireerd?
Ik had een abonnement op TOP en keek ook
altijd enorm uit naar de Vlaamse Filmpjes van Averbode. Verder leenden we
vooral boeken in de bibliotheek. Ik denk aan Oejarak van Karel Verleyen, Onder moeders vleugels van Louisa May Alcott, Duet met valse noten van Bart Moeyaert, Woensdag maar vanavond niet, van Gil van
der Heyden, Drie is te veel van Rita
Törnqvist, Meester van de zwarte molen
van Otfried Preussler, Vechten voor
overmorgen van Evert Hartmann. Ik genoot van alles van Thea Bekcman en Jan
Terlouw, en ik was verliefd op de geheimzinnige wereld van Tonke Dragt.
Er slingerden thuis altijd boeken rond en ik las al heel
jong wat me leuk leek, zonder me te bekommeren om de vraag of het voor jeugd
was. Ik herinner me
De moeder van David S. van Yvonne Keuls, over een verslaafde jongen, waar ik
verschrikkelijk om moest huilen. In de
boekenkast van mijn ouders stonden de populaire romans van Heinz Konsalik broederlijk
naast de kritische boeken van Orwell. Mijn literaire afkomst is dus een
allegaartje.
De boeken
die ik las gaan steeds over hoofdpersonages die een beetje naast de
maatschappij staan of wat buiten de groep vallen. Vanwaar die keuze?
Buitenstaanders zijn interessant omdat ze de norm in
vraag stellen en conflict veroorzaken. Ik kan me daar goed in herkennen. Ik hou ervan om mijn personages vanuit die eenzaamheid te
laten groeien, tot ze betekenis kunnen geven aan het anders zijn, en ontdekken
dat er ook een enorme kracht in schuilt. En juist als iemand alleen staat,
wordt een bondgenoot extra betekenisvol.
En hoe
kies je de historische context waarbinnen je zo’n outsiders-verhaal wil laten
plaatsvinden?
Na het
schrijven van een boek ga ik door een ‘lege’ periode waarin ik een grote
leeshonger heb. Dan lees ik over uiteenlopende dingen, non-fictie en fictie, geschiedenis,
wetenschap, kunst. Op een bepaald moment voel ik een klik met een bepaald
onderwerp. Als het goed is, gaat er een deur open in mijn hoofd en komt mijn
fantasie op gang. De linken die ontstaan liggen niet per sé voor de hand, ze komen
voort uit mijn eigen ervaringen en interesses.
Het valt
me op dat in Vlaamse historische jongerenromans heel regelmatig de kindertijd
van het hoofdpersonage wordt beschreven vanaf de bevalling (deze soms zelfs
vrij uitgebreid). Waarom neem je als schrijver de geboorte mee in de schets van
een karakter of leefomstandigheden zoals in Over zee?
Een geboorte
schept meteen een bepaalde sfeer, die de lezer veel leert over de tijdsgeest en
de personages. De start van je leven kan bepalend zijn voor de richting die je
inslaat. Vroeger verliepen bevallingen heel anders dan nu, je had wat geluk
nodig om het te overleven. In Over zee
sterft Ackers moeder een paar dagen na zijn geboorte. In Alles wat licht is verliest Luca zijn ouders door de oorlog, en ontwikkelt
hij een speciale band met dieren, nadat hij gered is door een wolf.
In alle
boeken, maar vooral in Alles wat licht is, laat je ook heel erg
de stilte spreken. Alles wat niet wordt gezegd, maar dat je lezer tussen de
lijntjes meekrijgt maakte op mij extra veel indruk. Hoe doe je dat om dingen
niet te noemen, maar toch bij je lezer aan te laten komen?
Ik schrap veel
tijdens het schrijfproces. Ook probeer ik gevoelens niet uit te leggen, maar ze
zichtbaar te maken in iets anders, een beweging, een blik of het licht. Verhalen
cirkelen rond een kern waar geen woorden voor zijn: onze verlangens, onze diepe
angsten, ons geluk. Die zitten verstopt in die stiltes. Ze zijn persoonlijk
maar tegelijk ook universeel, en ze gelden voor ieder van ons. Met elk boek
probeer ik te begrijpen wat ik niet kan zeggen.
Je
schrijft hoofdzakelijk voor jongeren (vanaf ca. 13 jaar). Die doelgroep is
nochtans niet dankbaar als het gaat om verhalen die wat meer vergen van de
lezer. Ik ben daar heel erg blij mee, ik vind het fijn als er nog veel extra te
vinden is tussen de regels, maar veel van mijn leeftijdsgenoten hebben helaas
liever kant-en-klaar. Wat trekt je aan aan deze doelgroep?
Coming-of-age fascineert me. Misschien omdat mijn eigen overgang
naar volwassenheid nogal rommelig verliep. Je zekerheden vallen weg en je haalt
jezelf helemaal uit elkaar: je oude ik, je relatie met je ouders, je
vriendschappen, alles moet op de schop. Daarna moet je opnieuw beginnen, je probeert
dingen uit en gaat op je gezicht. Stukje bij beetje vorm je je eigen waarden. De
emoties waar je doorheen bent gegaan, draag je voor altijd mee. Op die periode probeer ik vat te
krijgen: wat kantelt er precies, hoe vind je weer houvast, wat blijft er over? Dit
is zo complex dat ik er niet over uitgepraat raak.
Vind je
het jammer dat je boeken niet door de grote massa worden gelezen, of vind je
het oordeel van de ervaren lezers belangrijker?
Natuurlijk
zou ik het fijn vinden als mijn boeken meer mensen zouden bereiken. Dit zijn de
verhalen die nu in me opkomen, en ik probeer ze zo oprecht en precies mogelijk te
vertellen. Mijn taal is niet zo moeilijk, en er zitten verschillende lagen in mijn
boeken, je hoeft niet meteen alles te begrijpen. Ik denk ook liever niet in
hokjes: de leeftijd van een lezer zegt niets over zijn leesniveau. Lezen gaat
over nieuwsgierigheid en openheid. Er is eindeloos veel geschreven in de wereld,
en met wat geduld valt er zoveel prachtigs te ontdekken.
Voor Over
zee ontving je de Zoute Zoen-prijs (12-16 jaar) en Alles wat licht is werd
bekroond met de Lavki-prijs. Wat betekent die erkenning voor jou en
hebben die prijzen deuren geopend of voor een groter lezerspubliek gezorgd?
Ik was er erg
blij mee, en dankbaar voor de erkenning. Ik kan niet zeggen dat ze meteen voor
een veel groter lezerspubliek hebben gezorgd, maar ze hebben me wel vertrouwen
gegeven. Als schrijver werk je vaak alleen. Een prijs laat je voelen dat je
gezien en gewaardeerd wordt, en dat is op zichzelf al heel betekenisvol.
Als
afsluiter nog: Heb je een favoriet boek uit je eigen oeuvre en waarom?
Al mijn
boeken zijn met enorm veel passie en liefde geschreven. De vogels is net uit, dus dat ligt nog het dichtst bij mijn hart. Ik
vond het fijn om aan Alles wat licht is
te werken door de combinatie circus-fascisme (licht-donker). Bij Over zee vloeide het opzoekingswerk mooi
samen met mijn verbeelding.
Welke
Vlaamse jeugdboeken van collega’s zou je aanraden?
Een moeilijke
vraag, want het gaat heel goed met de Vlaamse jeugdliteratuur. Voor de vijfjaarlijkse
Lavki-prijs, waar ik als vorige winnaar in de jury zat, hebben we gekozen voor Wat ons nog rest van Aline Sax. Het is
geschreven in vrije verzen en raakt diep, zowel door de vorm als door de
zorgvuldige, sobere woordkeuze.
Bedankt voor je tijd en inzichten!